Op zijn grieks doen behaarde kont

Uit onderzoek blijkt dat als de omgevingstemperatuur zes graden is, het ongeveer een kwartier duurt om de vleugels op te warmen. Bij een omgevingstemperatuur van 13 graden duurt dit vijf minuten en bij 24 graden bereiken de borstspieren al na enkele seconden de juist temperatuur.

De snelheid waarmee een hommel vliegt varieert van 3,0 tot 4,5 meter per seconde, wat neerkomt op 10,8 tot 16,2 kilometer per uur. De vleugels van hommels zijn met name bij de wat oudere exemplaren vaak beschadigd, de vleugels krijgen naarmate de hommel ouder wordt een steeds sterker gerafelde vleugelrand.

Een hommel kan met een beschadigde vleugelrand nog goed vliegen. Een hommel heeft een groot lichaam, maar relatief kleine vleugeltjes. Met de wetten van de aerodynamica kon men lange tijd niet verklaren dat een hommel kan vliegen. Na onderzoek is gebleken dat hommels een trucje hebben waardoor ze toch kunnen opstijgen. Door de op- en neergaande beweging van de vleugels ontstaan luchtwervelingen die zorgen voor een opwaartse kracht waardoor de hommel, hoewel hij eigenlijk te zwaar is, toch kan vliegen.

Dit fenomeen waarbij hommels extra energie halen uit de manier waarop de vleugels bewegen, wordt in de aerodynamica diepgaand bestudeerd om er voordeel uit te halen in bijvoorbeeld de vliegtuigindustrie.

De beharing van het achterlijf is vaak zwart, veel soorten hebben echter een afwijkende kleur beharing aan de achterlijfspunt zoals wit of geel tot oranje. Het achterlijf draagt zes zogenaamde achterlijfsplaten bij de vrouwelijke hommels, de mannetjes hebben er zeven. Het achterlijf van een hommel is meer afgerond dan die van een koekoekhommel die wat puntiger is en hieraan zijn de twee groepen te onderscheiden.

Bij de vrouwtjes is de legbuis of ovipositor omgevormd tot een angel dus alleen de werksters en de koninginnen kunnen steken en de mannetjes niet. Hommels die zich aangevallen voelen laten dikwijls een verdedigingshouding zien door op één kant te gaan liggen en alle poten en het achterlijf met angel uit te steken.

In het uiterste geval kan een hommel steken door de angel in de huid te brengen. De steek van hommels is slechts pijnlijk en niet gevaarlijk, tenzij men allergisch is. Dan kan in extreme gevallen een anafylactische shock optreden, een ernstige allergische reactie, die levensbedreigend kan zijn. De angel van de hommel blijft niet achter na een steek zoals bij de honingbij. Een hommel gaat na een steek niet dood en kan de angel telkens opnieuw gebruiken, net zoals wespen. Dit komt omdat er geen breukpunt in de angel zit, waardoor deze niet afbreekt.

De angel is hol van binnen en via deze holte wordt gif naar het slachtoffer gepompt. Hommels zijn met name te verwarren met de sterk gelijkende koekoekshommels. Koekoekshommels hebben stuifmeelkorfjes aan de poten maar deze zijn gedegenereerd en worden niet gebruikt. Sommige koekoekshommels hebben een wat donkere vleugelkleur, echter niet allemaal.

Andere insecten die met hommels zijn te verwarren met name enkele soorten houtbijen , zoals de soorten uit het geslacht Xylocopa caffra. Deze bijen hebben een dik en behaard lichaam dat ook gele, witte of rode dwarsbanden draagt. De kleuren wijken vaak wel af van die van de hommels en ook zijn houtbijen minder lang behaard. Ten slotte zijn er een aantal zweefvliegen die sterk op hommels lijken.

De zweefvliegen imiteren de hommels om de vijanden van de onschuldige vlieg te verwarren zodat deze de zweefvlieg met rust laten, dit wordt ook wel mimicry genoemd. Voorbeelden zijn de hommelzweefvlieg Volucella bombylans en de gewone wolzwever Bombylius major. Net als andere zweefvliegen zijn deze soorten te herkennen aan de zeer korte antennes en de ronde vorm van de ogen in plaats van een langwerpige vorm zoals bij de hommels.

Hommels leven net als alle andere bijen van nectar en stuifmeel , de suikerrijke nectar is de energiebron van de hommel. Er zijn hommelsoorten die het stuifmeel opslaan in aparte voorraadcellen pockets en er zijn soorten, zoals de aardhommel, die het in de leegstaande broedcellen opslaan. Het stuifmeel kunnen de vrouwtjes met behulp van nectar en hun voorpoten tot een klompje samen plakken aan hun achterpoten en zo vervoeren naar het nest.

Een hommel bezoekt bij voorkeur vooral tweejarige, maar ook meerjarige planten, omdat deze planten meer nectar produceren door hun in het algemeen grotere bloemen. Een uitzondering hierop vormen de eenjarige halfparasieten zoals de ratelaar. Omdat hommels geen grote honingvoorraad aanleggen moeten er gedurende het hele voorjaar en zomer van maart tot september bloeiende planten aanwezig zijn. Overigens produceren hommels wel honing, echter in kleine hoeveelheden.

Hommels zijn niet kieskeurig en nemen nectar op van planten die tot uiteenlopende families behoren. Er zijn maar enkele uitzonderingen bekend, zoals de hommel Bombus consobrinus uit noordoostelijk Europa. Deze soort leeft vrijwel uitsluitend van nectar van planten uit het geslacht monnikskap Aconitum.

Een hommel heeft een lange tong met haartjes aan het uiteinde, waarmee ze nectar uit de bloemen opzuigen.

De tong wordt beschermd door een langwerpige structuur die de schede wordt genoemd. Wanneer de hommel haar tong niet gebruikt zit de schede onder haar lichaam gevouwen. De lengte van de uitrolbare hommeltong, ook wel proboscis genoemd, varieert van soort tot soort. Hierdoor treedt er een zekere specialisatie in bloembezoek op, waardoor hommels minder onderlinge concurrentie hebben van andere bijen en zelfs van andere hommelsoorten.

Hommels hoofdzakelijk aardhommels die op de bloeiwijze van prei nectar uit de preibloempjes verzamelen gaan steeds trager bewegen en raken versuft. Soms vallen ze zelfs op de grond om na een poosje weer weg te vliegen. Er kunnen wel tot tien hommels tegelijk op een bloeiwijze zitten. Door voedselconcurrentie kunnen onder laatbloeiende lindebomen , vooral onder alleenstaande bomen, veel dode hommels worden aangetroffen. Doordat de nectar van lindebomen minder bruikbare suikers bevat, gebruiken op lindebomen vliegende hommels meer energie bij het rondvliegen dan er in de vorm van nectar verzameld kan worden.

Hierdoor verhongeren de hommels en ook worden de verzwakte exemplaren door vijanden als vogels en wespen belaagd. Hommels kunnen afstanden afleggen tot ongeveer twintig kilometer van het nest om voedsel te zoeken maar meestal vliegt een hommel niet meer dan vijf kilometer van het nest. De weidehommel is een voorbeeld van een hommel die relatief dicht bij het nest blijft en de aardhommel , de veldhommel en de steenhommel zijn soorten die een meer zwervend foerageergedrag vertonen.

In koudere klimaten zijn hommels zeer belangrijke bestuivers, omdat ze ook bij lage temperaturen nog vliegen, dit in tegenstelling tot de meeste andere bijen. In heel warme streken zoals grote delen van Afrika en in Australië komen geen hommels voor. In Nieuw-Zeeland werd in het verleden rode klaver ingevoerd als voedsel voor het vee van de kolonisten. Omdat rode klaver een bloem heeft waarbij de nectar diep in de kroonbuis zit, konden de van nature voorkomende bijen de planten echter niet bestuiven.

Op advies van Charles Darwin werden rond hommels ingevoerd waarna het probleem was opgelost. Alleen de uitrolbare tong van een hommel kan rode klaver bestuiven. Hommels worden tegenwoordig gefokt voor de bestuiving van verschillende planten.

De aardhommel wordt in Europa gebruikt om tomaten , te bestuiven, in andere werelddelen worden hiervoor andere hommelsoorten gebruikt. Bij tomaat, paprika en aubergine worden de hommels bijgevoerd met suikerwater, omdat de bloemen geen nectar produceren.

Bij deze laatste drie soorten, die allemaal behoren tot de nachtschadefamilie Solanaceae , zijn de helmhokjes buisvormig met een opening aan één kant. De gladde stuifmeelkorrels zitten stevig vast in de helmhokjes. Hommels zijn goede bestuivers van deze planten, omdat ze met de bovenkaken mandibels en klauwtjes aan de poten de bloem kunnen vastpakken en door de borstspieren snel te bewegen de meeldraden laten trillen om zo de stuifmeelkorrels uit de helmhokjes te laten vallen.

Dit wordt in het Engels 'buzz pollination' genoemd, wat vrij vertaald 'zoembestuiving' betekent. Bij komkommerkruid kunnen alleen hommels op deze manier het stuifmeel uit de helmhokjes krijgen.

De vallende korrels plakken aan hun elektrostatisch geladen lijf. Vervolgens kunnen zij met hun poten het stuifmeel verzamelen in hun korfjes. Een hommel neemt ook sneller genoegen met stuifmeel als er geen nectar aanwezig is.

Ook verlaat een hommel niet zo gauw de kasruimte, in tegenstelling tot een bij. Hommels zijn over het algemeen niet zo efficiënt als bijen als het gaat om het bestuiven van bloemen. De volkeren zijn aanmerkelijk kleiner en hommels eten ook stuifmeel van onrijpe bloemen waardoor deze niet goed bestoven worden.

Wanneer de nectar te diep in een bloem verborgen is bijt de hommel een gaatje in de zijkant van de bloemkroon om zo bij de nectar te kunnen komen. Het openknippen van bloemen heeft een negatieve impact op de bloem, omdat de hommel de bloem beschadigt of soms zelfs vernietigt. Bovendien komt de hommel met zijn lichaam niet altijd langs de meeldraden, zodat de bloem niet goed wordt bestoven.

De plantensoorten waarbij dit voorkomt zijn smeerwortel , rode klaver , grote ratelaar , holwortel , hengel en dopheide. Ook van de houtbijen uit het geslacht Xylocopa is bekend dat ze bloemen openknippen als ze niet op de gebruikelijke manier bij de nectar kunnen komen.

De mannetjes verschillen van de vrouwtjeshommels in verschillende opzichten: Ook hebben mannetjes geen angel en bezitten geen stuifmeelkorfjes. De ogen van de mannetjes zijn groter en ronder en de randen raken elkaar nooit aan de bovenzijde van de kop. Na het verlaten van het nest vertonen de mannetjes van veel hommelsoorten een karakteristiek gedrag. Ze vliegen steeds dezelfde route met een straal van ongeveer tot meter waarbij ze op een meerdere plaatsen een geurstof afzetten die de jonge koninginnen lokt.

Afhankelijk van de soort verschillen deze geurstoffen van samenstelling en worden op verschillende hoogten afgezet. De geurstoffen worden geproduceerd door klieren in de kop. De mannetjes vliegen voortdurend deze gemarkeerde plaatsen langs om te controleren of er al een koningin is aangelokt. Hierbij kunnen ze enorme afstanden afleggen; 17 tot 60 kilometer per dag. Bij andere hommels blijft een mannetje op een vaste stek en vliegt op alles af wat langs komt, inclusief vrouwelijke hommels.

Dergelijke soorten hebben vaak relatief grote ogen. De paring vindt plaats op de bodem en duurt ongeveer 15 tot 30 minuten. Na de paring sterft het mannetje en de bevruchte koningin gaat op zoek naar een overwinteringsplaats. Bij sommige hommelsoorten is dit al in juli, bij andere pas in oktober. Slechts enkele hommelsoorten gebruiken meerdere keren hetzelfde nest. Een mogelijke oorzaak is het brede scala aan nestparasieten of nestbezoekende vijanden van hommels.

In de loop van het seizoen raakt het nest meer bevolkt met nestparasieten en meer bekend bij vijanden. Hergebruik van het nest komt voor bij soorten als de boomhommel, en ook bij soorten in warme streken. Soms komt een koningin in het nest terecht van een andere koningin, waarbij ze het nest overneemt en de oorspronkelijke bewoonster wordt doodgestoken. In het voorjaar gaat de koningin eerst een beetje nectar en later wat stuifmeel verzamelen.

Na enkele weken zoekt ze een geschikte plek voor haar kolonie, ook wel staat genoemd. In de nestruimte wordt een bolvormig nest van 3 tot 5 centimeter in doorsnee van in stukjes gebeten plantendeeltjes gemaakt.

Voor het nest worden oude muizenholen of gangen van andere knaagdieren gebruikt, maar ook wel onder graspollen en onder stukken mos. Andere hommels maken bij voorkeur geen nest in de grond, maar op hogere plaatsen, zoals in oude vogelnesten en in holle bomen. Ook worden nestkastjes weleens gebruikt als nest. Van was worden de eerste broedcellen op een soort voorraadpotje gemaakt dat gevuld wordt met stuifmeel.

Een tweede potje van was wordt gevuld met nectar, dat de koningin 's nachts of op dagen met slecht weer als voedsel gebruikt. De was wordt gemaakt door klieren in haar achterlijf en komt aan de onderzijde tussen de segmenten van haar achterlijf naar buiten. In elke broedcel of larvenwieg worden verscheidene bevruchte eieren gelegd. De koningin bevrucht de eieren met zaad van het mannetje waarmee ze gepaard heeft en dat ze de hele winter in haar lichaam heeft bewaard.

De broedcellen worden met was afgesloten. De broedcellen van hommels zijn tonvormig en hebben geen honingraatstructuur zoals bij de bij het geval is. De cellen worden op een ongeordende manier aan elkaar bevestigd zodat het hommelnest een rommelige indruk maakt. Een ander verschil met de bij is dat een broedcel slechts éénmaal wordt gebruikt als nestkamertje, daarna wordt de cel alleen nog gebruikt als voedselcel.

De koningin legt in totaal vijf tot vijftien eieren. Ze broedt de eitjes deels zelf uit. Door met de spieren van de vleugels in het borststuk te trillen wordt warmte opgewekt dat de temperatuur van eieren Door de weinige beharing aan de onderkant van het achterlijf kan de lichaamswarmte gemakkelijk op het broed overgedragen worden. Na vier dagen komen de larven uit de eitjes. Eerst eten zij van het stuifmeel uit het voorraadpotje en van de was in het larvenwiegje.

De made-achtige larven worden regelmatig van nieuw voedsel nectar en stuifmeel voorzien. De eerste werksters krijgen minder voedsel dan de latere generaties die gevoed worden door een groeiende groep werksters in het nest.

Deze eerste hommels zijn duidelijk kleiner dan de latere generaties van werksters. De uitwerpselen van de larven worden niet afgescheiden maar bewaard in het achterste deel van het achterlijf.

Tijdens de groei vervellen de larven een aantal keren, omdat hun huid niet kan meegroeien. Als ze volgroeid zijn wordt de ontlasting in één keer afgescheiden en spinnen de larven zich vlak voor de verpopping in.

Het spinsel om de pop wordt hard en vormt zo een cocon. Elke larve maakt zijn eigen cocon. Op deze cocons bouwt de koningin nieuwe eibekers en legt weer eitjes in deze eibekers. Hierdoor profiteren de eitjes van de warmte die van de cocons afkomt.

Na twee tot drie weken bijten de jonge werksters, bij latere broedsels geholpen door de oudere werksters, aan de bovenkant van hun cocon een gat. Als het gat groot genoeg is kruipen ze naar buiten.

De eerste dag kleuren ze uit en bouwen ze hun cocons om tot honing- en stuifmeelpotten en maken ze de bekers groter. Na dagen begint hun eigenlijke taak, het verzamelen van nectar en stuifmeel. Een hommel vliegt meestal niet verder dan tot meter van het nest. De nectar wordt verzameld in de nectarmaag, die vele malen kan uitvouwen.

De nectarmaag is een zak met alleen een opperhuid en één opening. Er kan, afhankelijk van de grootte van de hommel, ongeveer 0,,20 ml nectar worden opgenomen. De werksters verschillen in grootte door verschillen in temperatuur en voedsel tijdens hun ontwikkeling. De grootte en het verschil in leeftijd bepalen de taakverdeling tussen de werksters onderling. De koningin komt na het uitkomen van het eerste broed niet meer buiten het nest en besteedt haar tijd volledig aan het warm houden van het broed en voeren van de larven.

Wanneer het tweede broed zich verpopt vult de koningin dagelijks bekers met bevruchte eitjes. De kolonie groeit, na ongeveer 3 weken ontwikkelingsduur, met meer dan 10 werksters per dag. Het aantal eieren dat de koningin afzet is afhankelijk van de grootte van het nest.

Als er meer eieren worden afgezet dan de werksters aankunnen zal een deel van de larven sterven. Wanneer de kolonie groot genoeg is ongeveer 80 werksters gaat de koningin door een verandering in de feromoonproductie onbevruchte eitjes leggen, waaruit na 25 dagen mannetjes ontstaan. De jonge mannetjes eten in het begin veel nectar en stuifmeel uit de voorraden in het nest om energie op te doen voor de balts en de paring.

Drie dagen nadat ze uit hun poppen zijn gekomen verlaten ze het nest en keren daar zelden terug. Larven die meer voedsel krijgen groeien niet uit tot werksters maar tot volwassen koninginnen, ze krijgen dus geen beter of ander voedsel.

De jonge koninginnen komen na een ontwikkelingsduur van 30 dagen uit hun poppen en blijven dan nog 5 dagen in het nest om hun vetlichaam te ontwikkelen, een energievoorraad die ze nodig hebben om de winterslaap te overleven.

Vaak komen ze nog terug in het nest om er te slapen. Als gevolg van de verandering in feromoonproductie gaan de werksters ook eitjes leggen en dit levert strijd op tussen de werksters en de koningin. De koningin rooft de eitjes van de werksters en de werksters roven haar eitjes weer, waardoor er weinig tot geen nieuw broed meer bij komt. Dit is het begin van het einde. In het najaar sterft het gehele hommelnest, alleen de bevruchte jonge koninginnen blijven in leven en overwinteren.

De belangrijkste vijanden van de hommel zijn insectenetende vogels zoals de grauwe klauwier en de bijeneter. Insectenetende zoogdieren zoals dassen , stinkdieren en spitsmuizen graven de hommelnesten op en eten ze leeg. Een belangrijke vijand is de veldmuis die deels ondergronds leeft en in de koudere maanden vele overwinterende koninginnen buitmaakt. De meeste insectenetende vijanden eten alleen de inhoud van borststuk van de hommel en ontdoen hun prooi voorafgaand aan de maaltijd van de kop en het achterlijf.

In het borststuk zijn de meeste spieren en zenuwen gelegen waardoor dit het eiwitrijkste deel van het lichaam is. Naast natuurlijke vijanden kent de hommel ook verschillende parasieten. Het bekendst zijn de koekoekshommels uit het ondergeslacht Psithyrus , die beschouwd worden als nestparasieten. Vervolgens maakte hij zijn broek los en liet zijn broek en zijn onderbroek op zijn enkels zakken. Ik keek tussen zijn benen, en aanschouwde eindelijk het voorwerp van mijn dromen.

Ik bestudeerde hem zo goed mogelijk, bekeek hem vanuit elke hoek. Ik strekte mijn arm om hem aan te raken, maar hield me in en keek Alex aan, alsof ik om toestemming vroeg. Hij knikte en ik greep zijn pik stevig beet. Hij was duidelijk niet stijf, maar zeker ook niet helemaal slap. Ik bewonderde zijn lul, en zijn harige ballen. Ik streelde en masseerde hem. Zijn ballen hingen opvallend laag en leken mij vol sperma te zitten. Ik kon voelen dat zijn lul op mijn liefkozingen begon te reageren.

Ik voelde hem kloppen in mijn hand. Zijn lul begon zich te vullen met bloed en werd stijf, maar toen trok Alex zich terug en greep hij naar zijn broek. Ik vroeg hem wat er mis was. We moeten dit niet doen. Blijf gewoon stokstijf staan en geniet ervan.

Zijn lul was weer slapper geworden, maar het kostte me niet veel tijd om daar verandering in te brengen. Toen zijn lul flink stijf geworden was, opende ik mijn mond en nam hem helemaal in me! Hij nam een hap lucht en probeerde zich terug te trekken, maar ik pakte zijn kont beet en trok hem weer naar me toe, elke centimeter van zijn lul in mijn mond nemend. Ik voelde dat zijn pik nog steeds stijver werd. Ik haalde hem langzaam uit mijn mond en aanschouwde zijn enorme lul. Het was enorm geil. Dikke aders liepen over zijn lul.

Ik begon te likken en te zuigen, slikte hem beurtelings helemaal in om vervolgens alleen zijn eikel te liefkozen. Ik likte zijn ballen, en van zijn ballen weer naar zijn eikel. Met mijn ene hand bewerkte ik zijn enorme paal en met mijn andere hand kneep ik in zijn kont.

Toen nam ik een beslissing. Ik dacht dat ik het nu echt verbruid had. Hij pakte me bij mijn kin om me goed aan te kunnen kijken. Want dat zou ik graag eens proberen. Van mijn vriendin mag ik niet in haar kontje. Ik greep mijn enkels met mijn handen. Met wat spuug probeerde ik mijn kont enigszins te smeren. Hij ging achter me staan en stootte zijn lul in een keer naar binnen.

Het deed enorm pijn. Ik was nog maar één keer in mijn kont geneukt, en dat was alweer bijna een jaar geleden. Hij merkte dat ik pijn had en trok zich langzaam terug. Ga maar gewoon door. Toen ik aangaf dat ik er klaar voor was, begon hij me langzaam te neuken. Langzaam gleed zijn lul naar achteren tot hij bijna uit mijn kont schoot en vervolgens begon hij hem er weer langzaam in te duwen.

Al snel voerde Alex het tempo op. Hij neukte gestaag door, afwisselend langzaam over de volle lengte van zijn pik en vervolgens korte krachtige stoten. Het leek uren te duren. Mijn rug en benen begonnen te verkrampen, maar ik genoot er teveel van om hem te vragen of hij wilde stoppen.

Toen stopte hij uit zichzelf en haalde zijn lul uit mijn kont. Ik dacht dat hij klaar zou komen, maar in plaats daarvan hoorde ik hem rommelen met de kleren achter me.

Ik ging rechtop staan en ik zag dat hij zijn badlaken klaarlegde. Hij trok zijn schoenen, sokken, broek en onderbroek uit. Hij zei dat ik op het badlaken moest gaan liggen. Ik ging op mijn buik liggen, maar ik moest van hem op mijn rug gaan liggen: Betekende dit dat hij me echt neukte, zowel lichamelijk als geestelijk?

Ik ging meteen op mijn rug liggen. Hij gleed tussen mijn benen. Mijn kont stond nog steeds flink wijd open, niet in staat zich weer helemaal te sluiten na zo lang en heftig geneukt te zijn. Hij schoof zijn lid weer in mijn hongerige hol en begon me langzaam maar intens te neuken. Het duurde lang voor hij riep: Hij dumpte een enorme lading sperma in mijn kont.

Het gevoel van zijn hete sperma in mijn kont, en de stimulans die hij met het stoten tegen mijn prostaat had gegeven eisten hun tol, en ik spoot mijn sperma over mijn borst en buik.

Zonder mijn lul zelfs maar aan te raken. Terwijl ik lag bij te komen van mijn orgasme, keek ik naar zijn bezwete, prachtige gezicht. Hij verraste me volkomen door me vol op mijn lippen te kussen. Verbaasd beantwoorde ik zijn kus met volle overgave.

Wat ik me daarna pas weer herinnerde is dat hij mijn kont schoon veegde met zijn badlaken en dat hij me hielp mijn kleren weer aan te trekken. Al die tijd bleef hij zelf naakt.

Uiteindelijk had ik mijn verstand weer genoeg bij elkaar geraapt om hem te vragen, "Waarom kuste je me? Ik dacht dat je geen homo was? Sterker nog, dit was een van mijn beste sekservaringen die ik ooit heb gehad. En ik vond dat dat wel een kus als beloning waard was. Hij had maar aan één persoon verteld wat wij samen gedaan hadden, en dat was zijn broer. Hij was net 18 geworden en werkte als stagiaire bij ons op het kantoor. Ze waren overduidelijk broers, en de beste overeenkomst was wel de bobbel in hun broek.

Dat kon nog wel eens interessant worden

..

Vrouwen zoeken sex contact mooi klein kutje


Uit onderzoek blijkt dat als de omgevingstemperatuur zes graden is, het ongeveer een kwartier duurt om de vleugels op te warmen. Bij een omgevingstemperatuur van 13 graden duurt dit vijf minuten en bij 24 graden bereiken de borstspieren al na enkele seconden de juist temperatuur. De snelheid waarmee een hommel vliegt varieert van 3,0 tot 4,5 meter per seconde, wat neerkomt op 10,8 tot 16,2 kilometer per uur.

De vleugels van hommels zijn met name bij de wat oudere exemplaren vaak beschadigd, de vleugels krijgen naarmate de hommel ouder wordt een steeds sterker gerafelde vleugelrand. Een hommel kan met een beschadigde vleugelrand nog goed vliegen.

Een hommel heeft een groot lichaam, maar relatief kleine vleugeltjes. Met de wetten van de aerodynamica kon men lange tijd niet verklaren dat een hommel kan vliegen. Na onderzoek is gebleken dat hommels een trucje hebben waardoor ze toch kunnen opstijgen.

Door de op- en neergaande beweging van de vleugels ontstaan luchtwervelingen die zorgen voor een opwaartse kracht waardoor de hommel, hoewel hij eigenlijk te zwaar is, toch kan vliegen. Dit fenomeen waarbij hommels extra energie halen uit de manier waarop de vleugels bewegen, wordt in de aerodynamica diepgaand bestudeerd om er voordeel uit te halen in bijvoorbeeld de vliegtuigindustrie.

De beharing van het achterlijf is vaak zwart, veel soorten hebben echter een afwijkende kleur beharing aan de achterlijfspunt zoals wit of geel tot oranje. Het achterlijf draagt zes zogenaamde achterlijfsplaten bij de vrouwelijke hommels, de mannetjes hebben er zeven.

Het achterlijf van een hommel is meer afgerond dan die van een koekoekhommel die wat puntiger is en hieraan zijn de twee groepen te onderscheiden. Bij de vrouwtjes is de legbuis of ovipositor omgevormd tot een angel dus alleen de werksters en de koninginnen kunnen steken en de mannetjes niet.

Hommels die zich aangevallen voelen laten dikwijls een verdedigingshouding zien door op één kant te gaan liggen en alle poten en het achterlijf met angel uit te steken. In het uiterste geval kan een hommel steken door de angel in de huid te brengen. De steek van hommels is slechts pijnlijk en niet gevaarlijk, tenzij men allergisch is. Dan kan in extreme gevallen een anafylactische shock optreden, een ernstige allergische reactie, die levensbedreigend kan zijn.

De angel van de hommel blijft niet achter na een steek zoals bij de honingbij. Een hommel gaat na een steek niet dood en kan de angel telkens opnieuw gebruiken, net zoals wespen. Dit komt omdat er geen breukpunt in de angel zit, waardoor deze niet afbreekt. De angel is hol van binnen en via deze holte wordt gif naar het slachtoffer gepompt. Hommels zijn met name te verwarren met de sterk gelijkende koekoekshommels.

Koekoekshommels hebben stuifmeelkorfjes aan de poten maar deze zijn gedegenereerd en worden niet gebruikt. Sommige koekoekshommels hebben een wat donkere vleugelkleur, echter niet allemaal. Andere insecten die met hommels zijn te verwarren met name enkele soorten houtbijen , zoals de soorten uit het geslacht Xylocopa caffra.

Deze bijen hebben een dik en behaard lichaam dat ook gele, witte of rode dwarsbanden draagt. De kleuren wijken vaak wel af van die van de hommels en ook zijn houtbijen minder lang behaard.

Ten slotte zijn er een aantal zweefvliegen die sterk op hommels lijken. De zweefvliegen imiteren de hommels om de vijanden van de onschuldige vlieg te verwarren zodat deze de zweefvlieg met rust laten, dit wordt ook wel mimicry genoemd. Voorbeelden zijn de hommelzweefvlieg Volucella bombylans en de gewone wolzwever Bombylius major. Net als andere zweefvliegen zijn deze soorten te herkennen aan de zeer korte antennes en de ronde vorm van de ogen in plaats van een langwerpige vorm zoals bij de hommels.

Hommels leven net als alle andere bijen van nectar en stuifmeel , de suikerrijke nectar is de energiebron van de hommel. Er zijn hommelsoorten die het stuifmeel opslaan in aparte voorraadcellen pockets en er zijn soorten, zoals de aardhommel, die het in de leegstaande broedcellen opslaan. Het stuifmeel kunnen de vrouwtjes met behulp van nectar en hun voorpoten tot een klompje samen plakken aan hun achterpoten en zo vervoeren naar het nest. Een hommel bezoekt bij voorkeur vooral tweejarige, maar ook meerjarige planten, omdat deze planten meer nectar produceren door hun in het algemeen grotere bloemen.

Een uitzondering hierop vormen de eenjarige halfparasieten zoals de ratelaar. Omdat hommels geen grote honingvoorraad aanleggen moeten er gedurende het hele voorjaar en zomer van maart tot september bloeiende planten aanwezig zijn. Overigens produceren hommels wel honing, echter in kleine hoeveelheden. Hommels zijn niet kieskeurig en nemen nectar op van planten die tot uiteenlopende families behoren.

Er zijn maar enkele uitzonderingen bekend, zoals de hommel Bombus consobrinus uit noordoostelijk Europa. Deze soort leeft vrijwel uitsluitend van nectar van planten uit het geslacht monnikskap Aconitum. Een hommel heeft een lange tong met haartjes aan het uiteinde, waarmee ze nectar uit de bloemen opzuigen. De tong wordt beschermd door een langwerpige structuur die de schede wordt genoemd.

Wanneer de hommel haar tong niet gebruikt zit de schede onder haar lichaam gevouwen. De lengte van de uitrolbare hommeltong, ook wel proboscis genoemd, varieert van soort tot soort. Hierdoor treedt er een zekere specialisatie in bloembezoek op, waardoor hommels minder onderlinge concurrentie hebben van andere bijen en zelfs van andere hommelsoorten.

Hommels hoofdzakelijk aardhommels die op de bloeiwijze van prei nectar uit de preibloempjes verzamelen gaan steeds trager bewegen en raken versuft. Soms vallen ze zelfs op de grond om na een poosje weer weg te vliegen. Er kunnen wel tot tien hommels tegelijk op een bloeiwijze zitten. Door voedselconcurrentie kunnen onder laatbloeiende lindebomen , vooral onder alleenstaande bomen, veel dode hommels worden aangetroffen.

Doordat de nectar van lindebomen minder bruikbare suikers bevat, gebruiken op lindebomen vliegende hommels meer energie bij het rondvliegen dan er in de vorm van nectar verzameld kan worden. Hierdoor verhongeren de hommels en ook worden de verzwakte exemplaren door vijanden als vogels en wespen belaagd.

Hommels kunnen afstanden afleggen tot ongeveer twintig kilometer van het nest om voedsel te zoeken maar meestal vliegt een hommel niet meer dan vijf kilometer van het nest.

De weidehommel is een voorbeeld van een hommel die relatief dicht bij het nest blijft en de aardhommel , de veldhommel en de steenhommel zijn soorten die een meer zwervend foerageergedrag vertonen. In koudere klimaten zijn hommels zeer belangrijke bestuivers, omdat ze ook bij lage temperaturen nog vliegen, dit in tegenstelling tot de meeste andere bijen. In heel warme streken zoals grote delen van Afrika en in Australië komen geen hommels voor. In Nieuw-Zeeland werd in het verleden rode klaver ingevoerd als voedsel voor het vee van de kolonisten.

Omdat rode klaver een bloem heeft waarbij de nectar diep in de kroonbuis zit, konden de van nature voorkomende bijen de planten echter niet bestuiven. Op advies van Charles Darwin werden rond hommels ingevoerd waarna het probleem was opgelost. Alleen de uitrolbare tong van een hommel kan rode klaver bestuiven. Hommels worden tegenwoordig gefokt voor de bestuiving van verschillende planten. De aardhommel wordt in Europa gebruikt om tomaten , te bestuiven, in andere werelddelen worden hiervoor andere hommelsoorten gebruikt.

Bij tomaat, paprika en aubergine worden de hommels bijgevoerd met suikerwater, omdat de bloemen geen nectar produceren. Bij deze laatste drie soorten, die allemaal behoren tot de nachtschadefamilie Solanaceae , zijn de helmhokjes buisvormig met een opening aan één kant.

De gladde stuifmeelkorrels zitten stevig vast in de helmhokjes. Hommels zijn goede bestuivers van deze planten, omdat ze met de bovenkaken mandibels en klauwtjes aan de poten de bloem kunnen vastpakken en door de borstspieren snel te bewegen de meeldraden laten trillen om zo de stuifmeelkorrels uit de helmhokjes te laten vallen.

Dit wordt in het Engels 'buzz pollination' genoemd, wat vrij vertaald 'zoembestuiving' betekent. Bij komkommerkruid kunnen alleen hommels op deze manier het stuifmeel uit de helmhokjes krijgen. De vallende korrels plakken aan hun elektrostatisch geladen lijf.

Vervolgens kunnen zij met hun poten het stuifmeel verzamelen in hun korfjes. Een hommel neemt ook sneller genoegen met stuifmeel als er geen nectar aanwezig is. Ook verlaat een hommel niet zo gauw de kasruimte, in tegenstelling tot een bij. Hommels zijn over het algemeen niet zo efficiënt als bijen als het gaat om het bestuiven van bloemen. De volkeren zijn aanmerkelijk kleiner en hommels eten ook stuifmeel van onrijpe bloemen waardoor deze niet goed bestoven worden. Wanneer de nectar te diep in een bloem verborgen is bijt de hommel een gaatje in de zijkant van de bloemkroon om zo bij de nectar te kunnen komen.

Het openknippen van bloemen heeft een negatieve impact op de bloem, omdat de hommel de bloem beschadigt of soms zelfs vernietigt. Bovendien komt de hommel met zijn lichaam niet altijd langs de meeldraden, zodat de bloem niet goed wordt bestoven. De plantensoorten waarbij dit voorkomt zijn smeerwortel , rode klaver , grote ratelaar , holwortel , hengel en dopheide. Ook van de houtbijen uit het geslacht Xylocopa is bekend dat ze bloemen openknippen als ze niet op de gebruikelijke manier bij de nectar kunnen komen.

De mannetjes verschillen van de vrouwtjeshommels in verschillende opzichten: Ook hebben mannetjes geen angel en bezitten geen stuifmeelkorfjes. De ogen van de mannetjes zijn groter en ronder en de randen raken elkaar nooit aan de bovenzijde van de kop. Na het verlaten van het nest vertonen de mannetjes van veel hommelsoorten een karakteristiek gedrag.

Ze vliegen steeds dezelfde route met een straal van ongeveer tot meter waarbij ze op een meerdere plaatsen een geurstof afzetten die de jonge koninginnen lokt.

Afhankelijk van de soort verschillen deze geurstoffen van samenstelling en worden op verschillende hoogten afgezet. De geurstoffen worden geproduceerd door klieren in de kop. De mannetjes vliegen voortdurend deze gemarkeerde plaatsen langs om te controleren of er al een koningin is aangelokt. Hierbij kunnen ze enorme afstanden afleggen; 17 tot 60 kilometer per dag. Bij andere hommels blijft een mannetje op een vaste stek en vliegt op alles af wat langs komt, inclusief vrouwelijke hommels.

Dergelijke soorten hebben vaak relatief grote ogen. De paring vindt plaats op de bodem en duurt ongeveer 15 tot 30 minuten. Na de paring sterft het mannetje en de bevruchte koningin gaat op zoek naar een overwinteringsplaats. Bij sommige hommelsoorten is dit al in juli, bij andere pas in oktober. Slechts enkele hommelsoorten gebruiken meerdere keren hetzelfde nest.

Een mogelijke oorzaak is het brede scala aan nestparasieten of nestbezoekende vijanden van hommels. In de loop van het seizoen raakt het nest meer bevolkt met nestparasieten en meer bekend bij vijanden.

Hergebruik van het nest komt voor bij soorten als de boomhommel, en ook bij soorten in warme streken. Soms komt een koningin in het nest terecht van een andere koningin, waarbij ze het nest overneemt en de oorspronkelijke bewoonster wordt doodgestoken. In het voorjaar gaat de koningin eerst een beetje nectar en later wat stuifmeel verzamelen. Na enkele weken zoekt ze een geschikte plek voor haar kolonie, ook wel staat genoemd. In de nestruimte wordt een bolvormig nest van 3 tot 5 centimeter in doorsnee van in stukjes gebeten plantendeeltjes gemaakt.

Voor het nest worden oude muizenholen of gangen van andere knaagdieren gebruikt, maar ook wel onder graspollen en onder stukken mos. Andere hommels maken bij voorkeur geen nest in de grond, maar op hogere plaatsen, zoals in oude vogelnesten en in holle bomen.

Ook worden nestkastjes weleens gebruikt als nest. Van was worden de eerste broedcellen op een soort voorraadpotje gemaakt dat gevuld wordt met stuifmeel.

Een tweede potje van was wordt gevuld met nectar, dat de koningin 's nachts of op dagen met slecht weer als voedsel gebruikt. De was wordt gemaakt door klieren in haar achterlijf en komt aan de onderzijde tussen de segmenten van haar achterlijf naar buiten.

In elke broedcel of larvenwieg worden verscheidene bevruchte eieren gelegd. De koningin bevrucht de eieren met zaad van het mannetje waarmee ze gepaard heeft en dat ze de hele winter in haar lichaam heeft bewaard.

De broedcellen worden met was afgesloten. De broedcellen van hommels zijn tonvormig en hebben geen honingraatstructuur zoals bij de bij het geval is. De cellen worden op een ongeordende manier aan elkaar bevestigd zodat het hommelnest een rommelige indruk maakt. Een ander verschil met de bij is dat een broedcel slechts éénmaal wordt gebruikt als nestkamertje, daarna wordt de cel alleen nog gebruikt als voedselcel. De koningin legt in totaal vijf tot vijftien eieren. Ze broedt de eitjes deels zelf uit.

Door met de spieren van de vleugels in het borststuk te trillen wordt warmte opgewekt dat de temperatuur van eieren Door de weinige beharing aan de onderkant van het achterlijf kan de lichaamswarmte gemakkelijk op het broed overgedragen worden. Na vier dagen komen de larven uit de eitjes. Eerst eten zij van het stuifmeel uit het voorraadpotje en van de was in het larvenwiegje. De made-achtige larven worden regelmatig van nieuw voedsel nectar en stuifmeel voorzien.

De eerste werksters krijgen minder voedsel dan de latere generaties die gevoed worden door een groeiende groep werksters in het nest. Deze eerste hommels zijn duidelijk kleiner dan de latere generaties van werksters.

De uitwerpselen van de larven worden niet afgescheiden maar bewaard in het achterste deel van het achterlijf. Tijdens de groei vervellen de larven een aantal keren, omdat hun huid niet kan meegroeien. Als ze volgroeid zijn wordt de ontlasting in één keer afgescheiden en spinnen de larven zich vlak voor de verpopping in.

Het spinsel om de pop wordt hard en vormt zo een cocon. Elke larve maakt zijn eigen cocon. Op deze cocons bouwt de koningin nieuwe eibekers en legt weer eitjes in deze eibekers. Hierdoor profiteren de eitjes van de warmte die van de cocons afkomt. Na twee tot drie weken bijten de jonge werksters, bij latere broedsels geholpen door de oudere werksters, aan de bovenkant van hun cocon een gat.

Als het gat groot genoeg is kruipen ze naar buiten. De eerste dag kleuren ze uit en bouwen ze hun cocons om tot honing- en stuifmeelpotten en maken ze de bekers groter.

Na dagen begint hun eigenlijke taak, het verzamelen van nectar en stuifmeel. Een hommel vliegt meestal niet verder dan tot meter van het nest. De nectar wordt verzameld in de nectarmaag, die vele malen kan uitvouwen. De nectarmaag is een zak met alleen een opperhuid en één opening. Er kan, afhankelijk van de grootte van de hommel, ongeveer 0,,20 ml nectar worden opgenomen.

De werksters verschillen in grootte door verschillen in temperatuur en voedsel tijdens hun ontwikkeling. De grootte en het verschil in leeftijd bepalen de taakverdeling tussen de werksters onderling. De koningin komt na het uitkomen van het eerste broed niet meer buiten het nest en besteedt haar tijd volledig aan het warm houden van het broed en voeren van de larven.

Wanneer het tweede broed zich verpopt vult de koningin dagelijks bekers met bevruchte eitjes. De kolonie groeit, na ongeveer 3 weken ontwikkelingsduur, met meer dan 10 werksters per dag.

Het aantal eieren dat de koningin afzet is afhankelijk van de grootte van het nest. Als er meer eieren worden afgezet dan de werksters aankunnen zal een deel van de larven sterven. Wanneer de kolonie groot genoeg is ongeveer 80 werksters gaat de koningin door een verandering in de feromoonproductie onbevruchte eitjes leggen, waaruit na 25 dagen mannetjes ontstaan. De jonge mannetjes eten in het begin veel nectar en stuifmeel uit de voorraden in het nest om energie op te doen voor de balts en de paring.

Drie dagen nadat ze uit hun poppen zijn gekomen verlaten ze het nest en keren daar zelden terug. Larven die meer voedsel krijgen groeien niet uit tot werksters maar tot volwassen koninginnen, ze krijgen dus geen beter of ander voedsel. De jonge koninginnen komen na een ontwikkelingsduur van 30 dagen uit hun poppen en blijven dan nog 5 dagen in het nest om hun vetlichaam te ontwikkelen, een energievoorraad die ze nodig hebben om de winterslaap te overleven.

Vaak komen ze nog terug in het nest om er te slapen. Als gevolg van de verandering in feromoonproductie gaan de werksters ook eitjes leggen en dit levert strijd op tussen de werksters en de koningin. De koningin rooft de eitjes van de werksters en de werksters roven haar eitjes weer, waardoor er weinig tot geen nieuw broed meer bij komt.

Dit is het begin van het einde. In het najaar sterft het gehele hommelnest, alleen de bevruchte jonge koninginnen blijven in leven en overwinteren. De belangrijkste vijanden van de hommel zijn insectenetende vogels zoals de grauwe klauwier en de bijeneter.

Insectenetende zoogdieren zoals dassen , stinkdieren en spitsmuizen graven de hommelnesten op en eten ze leeg. Een belangrijke vijand is de veldmuis die deels ondergronds leeft en in de koudere maanden vele overwinterende koninginnen buitmaakt. De meeste insectenetende vijanden eten alleen de inhoud van borststuk van de hommel en ontdoen hun prooi voorafgaand aan de maaltijd van de kop en het achterlijf. In het borststuk zijn de meeste spieren en zenuwen gelegen waardoor dit het eiwitrijkste deel van het lichaam is.

Naast natuurlijke vijanden kent de hommel ook verschillende parasieten. Het bekendst zijn de koekoekshommels uit het ondergeslacht Psithyrus , die beschouwd worden als nestparasieten.

Vervolgens maakte hij zijn broek los en liet zijn broek en zijn onderbroek op zijn enkels zakken. Ik keek tussen zijn benen, en aanschouwde eindelijk het voorwerp van mijn dromen. Ik bestudeerde hem zo goed mogelijk, bekeek hem vanuit elke hoek. Ik strekte mijn arm om hem aan te raken, maar hield me in en keek Alex aan, alsof ik om toestemming vroeg. Hij knikte en ik greep zijn pik stevig beet.

Hij was duidelijk niet stijf, maar zeker ook niet helemaal slap. Ik bewonderde zijn lul, en zijn harige ballen. Ik streelde en masseerde hem. Zijn ballen hingen opvallend laag en leken mij vol sperma te zitten.

Ik kon voelen dat zijn lul op mijn liefkozingen begon te reageren. Ik voelde hem kloppen in mijn hand. Zijn lul begon zich te vullen met bloed en werd stijf, maar toen trok Alex zich terug en greep hij naar zijn broek.

Ik vroeg hem wat er mis was. We moeten dit niet doen. Blijf gewoon stokstijf staan en geniet ervan. Zijn lul was weer slapper geworden, maar het kostte me niet veel tijd om daar verandering in te brengen.

Toen zijn lul flink stijf geworden was, opende ik mijn mond en nam hem helemaal in me! Hij nam een hap lucht en probeerde zich terug te trekken, maar ik pakte zijn kont beet en trok hem weer naar me toe, elke centimeter van zijn lul in mijn mond nemend. Ik voelde dat zijn pik nog steeds stijver werd. Ik haalde hem langzaam uit mijn mond en aanschouwde zijn enorme lul.

Het was enorm geil. Dikke aders liepen over zijn lul. Ik begon te likken en te zuigen, slikte hem beurtelings helemaal in om vervolgens alleen zijn eikel te liefkozen. Ik likte zijn ballen, en van zijn ballen weer naar zijn eikel.

Met mijn ene hand bewerkte ik zijn enorme paal en met mijn andere hand kneep ik in zijn kont. Toen nam ik een beslissing. Ik dacht dat ik het nu echt verbruid had. Hij pakte me bij mijn kin om me goed aan te kunnen kijken. Want dat zou ik graag eens proberen. Van mijn vriendin mag ik niet in haar kontje. Ik greep mijn enkels met mijn handen. Met wat spuug probeerde ik mijn kont enigszins te smeren. Hij ging achter me staan en stootte zijn lul in een keer naar binnen.

Het deed enorm pijn. Ik was nog maar één keer in mijn kont geneukt, en dat was alweer bijna een jaar geleden. Hij merkte dat ik pijn had en trok zich langzaam terug. Ga maar gewoon door.

Toen ik aangaf dat ik er klaar voor was, begon hij me langzaam te neuken. Langzaam gleed zijn lul naar achteren tot hij bijna uit mijn kont schoot en vervolgens begon hij hem er weer langzaam in te duwen. Al snel voerde Alex het tempo op. Hij neukte gestaag door, afwisselend langzaam over de volle lengte van zijn pik en vervolgens korte krachtige stoten. Het leek uren te duren. Mijn rug en benen begonnen te verkrampen, maar ik genoot er teveel van om hem te vragen of hij wilde stoppen.

Toen stopte hij uit zichzelf en haalde zijn lul uit mijn kont. Ik dacht dat hij klaar zou komen, maar in plaats daarvan hoorde ik hem rommelen met de kleren achter me. Ik ging rechtop staan en ik zag dat hij zijn badlaken klaarlegde. Hij trok zijn schoenen, sokken, broek en onderbroek uit. Hij zei dat ik op het badlaken moest gaan liggen. Ik ging op mijn buik liggen, maar ik moest van hem op mijn rug gaan liggen: Betekende dit dat hij me echt neukte, zowel lichamelijk als geestelijk?

Ik ging meteen op mijn rug liggen. Hij gleed tussen mijn benen. Mijn kont stond nog steeds flink wijd open, niet in staat zich weer helemaal te sluiten na zo lang en heftig geneukt te zijn.

Hij schoof zijn lid weer in mijn hongerige hol en begon me langzaam maar intens te neuken. Het duurde lang voor hij riep: Hij dumpte een enorme lading sperma in mijn kont. Het gevoel van zijn hete sperma in mijn kont, en de stimulans die hij met het stoten tegen mijn prostaat had gegeven eisten hun tol, en ik spoot mijn sperma over mijn borst en buik. Zonder mijn lul zelfs maar aan te raken. Terwijl ik lag bij te komen van mijn orgasme, keek ik naar zijn bezwete, prachtige gezicht.

Hij verraste me volkomen door me vol op mijn lippen te kussen. Verbaasd beantwoorde ik zijn kus met volle overgave.

Wat ik me daarna pas weer herinnerde is dat hij mijn kont schoon veegde met zijn badlaken en dat hij me hielp mijn kleren weer aan te trekken. Al die tijd bleef hij zelf naakt. Uiteindelijk had ik mijn verstand weer genoeg bij elkaar geraapt om hem te vragen, "Waarom kuste je me?

Ik dacht dat je geen homo was? Sterker nog, dit was een van mijn beste sekservaringen die ik ooit heb gehad. En ik vond dat dat wel een kus als beloning waard was. Hij had maar aan één persoon verteld wat wij samen gedaan hadden, en dat was zijn broer.

Hij was net 18 geworden en werkte als stagiaire bij ons op het kantoor. Ze waren overduidelijk broers, en de beste overeenkomst was wel de bobbel in hun broek. Dat kon nog wel eens interessant worden

..







Geile grote schaamlippen sexvriendin gezocht


Tiener geneukt door grote dildo in prive film. Pijpen en de dildo in haar kutje. Close up dildo aktie. Asian sopt haar kutje met dildo. Lekker blondje en geile dildo sex. Man laat zich met extreem grote dildo anaal penetreren. Grote dildo in haar strakke kut. Duitse amateur duwt dildo in kut. Dik, blond en een dildo. DIep kont penetratie met een dildo. Oma sex met enorme dildo. Spelen met en heerlijke dildo. De lichaamsbeharing is in beginsel zwart maar vrijwel alle hommels hebben duidelijke banden van gekleurde haren op het lichaam.

De delen met gekleurde haren zijn ringvormig gebandeerd en niet in de lengterichting gelegen. Hommels hebben een soortspecifieke kleurencombinatie van dergelijke haren. De steenhommel heeft een vrij simpele configuratie; een zwart lichaam met een oranje achterlijfspunt.

De aardhommel heeft een complexere tekening; het lichaam is zwart met een witte achterlijfspunt. De haren aan de voorzijde van het borststuk en die aan de voorzijde van het achterlijf zijn echter geel van kleur. Ondanks de vaak sterk contrasterende kleurenbanden op het lichaam kennen veel soorten verschillende kleurvormen met een overlap of variaties, waardoor determinatie niet altijd gemakkelijk is.

De kleuren van hommels hebben te lijden onder uv-straling en in zonnige zomers komen veel lichtere exemplaren voor in vergelijking met zomers die relatief veel bewolkte dagen tellen. De ogen van hommels zijn langwerpig van vorm en meestal zwart van kleur.

De randen van de ogen raken elkaar nooit, ook niet bij de mannetjes zoals van andere insecten bekend is. Hommels zien net zoals andere bijen kleuren anders dan de mens. Ze zien geen rode kleuren, maar wel de kleuren in het ultraviolette deel van het licht uv-licht. Veelal weerkaatsen de zogenaamde honingmerken in bloemen uv-licht, waardoor ze voor hommels goed zichtbaar zijn.

Een bloem ziet er door deze ultraviolette kleuren voor een hommel uit als een soort landingsbaan. Boven de ogen zijn op het midden van de kop drie kleine puntoogjes gelegen, die uit een enkele lens bestaan.

Deze puntoogjes komen voor bij alle vliesvleugeligen en worden de ocelli genoemd. Ze hebben een ondergeschikte visuele functie en kunnen alleen grove lichtverschuivingen waarnemen. Bij de meeste vliesvleugeligen zijn de puntogen in een driehoek gelegen, twee aan de zijkant en één in het midden boven de andere twee. Als men van het linkeroogje een lijn zou trekken naar het bovenste oogje en vervolgens naar het rechteroogje krijgt men een lijn met een scherpe hoek te zien ʌ.

Bij alle hommels is deze hoek echter zo stomp dat de oogjes bijna naast elkaar zijn gepositioneerd. In tegenstelling tot de bij heeft de hommel ook stevige kaken; deze worden alleen gebruikt om bloemen stuk te knippen om bij de nectar te komen.

De kaken worden dus niet gebruikt om vijanden aan te vallen en te bijten. De antennes van een hommel zijn zwart en bestaan altijd uit 12 of 13 geledingen, afhankelijk van het geslacht. Mannetjes hebben altijd 13 geledingen en vrouwtjes hebben er altijd De poten van hommels zijn net als het lichaam dik en harig, de schenen van de achterpoten zijn sterk verbreed. Op de holle scheen van de achterpoot is een kale plek aanwezig die omgeven is met stijve haren.

Deze plek wordt het stuifmeelkorfje of corbicula genoemd. De vrouwtjes verzamelen in deze holte het stuifmeel door de korrel als een balletje samen te klonteren. Mannelijke hommels hebben geen stuifmeelkorfjes aan de poten daar zij geen voedsel verzamelen voor het nest. Hommels hebben twee paar vleugels, dus vier in totaal. Het voorste paar wordt aangeduid met voorvleugels en het achterste paar met achtervleugels.

Een belangrijk verschil met andere bijen is het feit dat de submarginale vleugelcellen ongeveer even groot zijn. De achtervleugels zijn bij de meeste soorten aan de voorvleugels gehecht door een rij haakjes aan de rand van de achtervleugel die inhaken op de voorvleugelrand. Hierdoor lijkt het dat een hommel slechts twee vleugels heeft. Deze haakjes worden de hamuli ook wel hammulae genoemd.

Hommels kunnen alleen vliegen als de vleugelspieren voldoende zijn opgewarmd. De hommel moet de temperatuur van de vleugelspieren in het borststuk omhoog brengen van de omgevingstemperatuur tot 30 graden Celsius voordat de vleugels kunnen worden gebruikt om te vliegen.

Uit onderzoek blijkt dat als de omgevingstemperatuur zes graden is, het ongeveer een kwartier duurt om de vleugels op te warmen. Bij een omgevingstemperatuur van 13 graden duurt dit vijf minuten en bij 24 graden bereiken de borstspieren al na enkele seconden de juist temperatuur. De snelheid waarmee een hommel vliegt varieert van 3,0 tot 4,5 meter per seconde, wat neerkomt op 10,8 tot 16,2 kilometer per uur. De vleugels van hommels zijn met name bij de wat oudere exemplaren vaak beschadigd, de vleugels krijgen naarmate de hommel ouder wordt een steeds sterker gerafelde vleugelrand.

Een hommel kan met een beschadigde vleugelrand nog goed vliegen. Een hommel heeft een groot lichaam, maar relatief kleine vleugeltjes. Met de wetten van de aerodynamica kon men lange tijd niet verklaren dat een hommel kan vliegen.

Na onderzoek is gebleken dat hommels een trucje hebben waardoor ze toch kunnen opstijgen. Door de op- en neergaande beweging van de vleugels ontstaan luchtwervelingen die zorgen voor een opwaartse kracht waardoor de hommel, hoewel hij eigenlijk te zwaar is, toch kan vliegen. Dit fenomeen waarbij hommels extra energie halen uit de manier waarop de vleugels bewegen, wordt in de aerodynamica diepgaand bestudeerd om er voordeel uit te halen in bijvoorbeeld de vliegtuigindustrie.

De beharing van het achterlijf is vaak zwart, veel soorten hebben echter een afwijkende kleur beharing aan de achterlijfspunt zoals wit of geel tot oranje. Het achterlijf draagt zes zogenaamde achterlijfsplaten bij de vrouwelijke hommels, de mannetjes hebben er zeven. Het achterlijf van een hommel is meer afgerond dan die van een koekoekhommel die wat puntiger is en hieraan zijn de twee groepen te onderscheiden.

Bij de vrouwtjes is de legbuis of ovipositor omgevormd tot een angel dus alleen de werksters en de koninginnen kunnen steken en de mannetjes niet. Hommels die zich aangevallen voelen laten dikwijls een verdedigingshouding zien door op één kant te gaan liggen en alle poten en het achterlijf met angel uit te steken. In het uiterste geval kan een hommel steken door de angel in de huid te brengen. De steek van hommels is slechts pijnlijk en niet gevaarlijk, tenzij men allergisch is. Dan kan in extreme gevallen een anafylactische shock optreden, een ernstige allergische reactie, die levensbedreigend kan zijn.

De angel van de hommel blijft niet achter na een steek zoals bij de honingbij. Een hommel gaat na een steek niet dood en kan de angel telkens opnieuw gebruiken, net zoals wespen. Dit komt omdat er geen breukpunt in de angel zit, waardoor deze niet afbreekt. De angel is hol van binnen en via deze holte wordt gif naar het slachtoffer gepompt.

Hommels zijn met name te verwarren met de sterk gelijkende koekoekshommels. Koekoekshommels hebben stuifmeelkorfjes aan de poten maar deze zijn gedegenereerd en worden niet gebruikt. Sommige koekoekshommels hebben een wat donkere vleugelkleur, echter niet allemaal. Andere insecten die met hommels zijn te verwarren met name enkele soorten houtbijen , zoals de soorten uit het geslacht Xylocopa caffra.

Deze bijen hebben een dik en behaard lichaam dat ook gele, witte of rode dwarsbanden draagt. De kleuren wijken vaak wel af van die van de hommels en ook zijn houtbijen minder lang behaard. Ten slotte zijn er een aantal zweefvliegen die sterk op hommels lijken. De zweefvliegen imiteren de hommels om de vijanden van de onschuldige vlieg te verwarren zodat deze de zweefvlieg met rust laten, dit wordt ook wel mimicry genoemd.

Voorbeelden zijn de hommelzweefvlieg Volucella bombylans en de gewone wolzwever Bombylius major. Net als andere zweefvliegen zijn deze soorten te herkennen aan de zeer korte antennes en de ronde vorm van de ogen in plaats van een langwerpige vorm zoals bij de hommels. Hommels leven net als alle andere bijen van nectar en stuifmeel , de suikerrijke nectar is de energiebron van de hommel. Er zijn hommelsoorten die het stuifmeel opslaan in aparte voorraadcellen pockets en er zijn soorten, zoals de aardhommel, die het in de leegstaande broedcellen opslaan.

Het stuifmeel kunnen de vrouwtjes met behulp van nectar en hun voorpoten tot een klompje samen plakken aan hun achterpoten en zo vervoeren naar het nest. Een hommel bezoekt bij voorkeur vooral tweejarige, maar ook meerjarige planten, omdat deze planten meer nectar produceren door hun in het algemeen grotere bloemen. Een uitzondering hierop vormen de eenjarige halfparasieten zoals de ratelaar. Omdat hommels geen grote honingvoorraad aanleggen moeten er gedurende het hele voorjaar en zomer van maart tot september bloeiende planten aanwezig zijn.

Overigens produceren hommels wel honing, echter in kleine hoeveelheden. Hommels zijn niet kieskeurig en nemen nectar op van planten die tot uiteenlopende families behoren. Er zijn maar enkele uitzonderingen bekend, zoals de hommel Bombus consobrinus uit noordoostelijk Europa. Deze soort leeft vrijwel uitsluitend van nectar van planten uit het geslacht monnikskap Aconitum. Een hommel heeft een lange tong met haartjes aan het uiteinde, waarmee ze nectar uit de bloemen opzuigen.

De tong wordt beschermd door een langwerpige structuur die de schede wordt genoemd. Wanneer de hommel haar tong niet gebruikt zit de schede onder haar lichaam gevouwen. De lengte van de uitrolbare hommeltong, ook wel proboscis genoemd, varieert van soort tot soort. Hierdoor treedt er een zekere specialisatie in bloembezoek op, waardoor hommels minder onderlinge concurrentie hebben van andere bijen en zelfs van andere hommelsoorten. Hommels hoofdzakelijk aardhommels die op de bloeiwijze van prei nectar uit de preibloempjes verzamelen gaan steeds trager bewegen en raken versuft.

Soms vallen ze zelfs op de grond om na een poosje weer weg te vliegen. Er kunnen wel tot tien hommels tegelijk op een bloeiwijze zitten.

Door voedselconcurrentie kunnen onder laatbloeiende lindebomen , vooral onder alleenstaande bomen, veel dode hommels worden aangetroffen. Doordat de nectar van lindebomen minder bruikbare suikers bevat, gebruiken op lindebomen vliegende hommels meer energie bij het rondvliegen dan er in de vorm van nectar verzameld kan worden. Hierdoor verhongeren de hommels en ook worden de verzwakte exemplaren door vijanden als vogels en wespen belaagd.

Hommels kunnen afstanden afleggen tot ongeveer twintig kilometer van het nest om voedsel te zoeken maar meestal vliegt een hommel niet meer dan vijf kilometer van het nest. De weidehommel is een voorbeeld van een hommel die relatief dicht bij het nest blijft en de aardhommel , de veldhommel en de steenhommel zijn soorten die een meer zwervend foerageergedrag vertonen.

In koudere klimaten zijn hommels zeer belangrijke bestuivers, omdat ze ook bij lage temperaturen nog vliegen, dit in tegenstelling tot de meeste andere bijen. In heel warme streken zoals grote delen van Afrika en in Australië komen geen hommels voor. In Nieuw-Zeeland werd in het verleden rode klaver ingevoerd als voedsel voor het vee van de kolonisten. Omdat rode klaver een bloem heeft waarbij de nectar diep in de kroonbuis zit, konden de van nature voorkomende bijen de planten echter niet bestuiven.

Op advies van Charles Darwin werden rond hommels ingevoerd waarna het probleem was opgelost. Alleen de uitrolbare tong van een hommel kan rode klaver bestuiven. Hommels worden tegenwoordig gefokt voor de bestuiving van verschillende planten. De aardhommel wordt in Europa gebruikt om tomaten , te bestuiven, in andere werelddelen worden hiervoor andere hommelsoorten gebruikt.

Bij tomaat, paprika en aubergine worden de hommels bijgevoerd met suikerwater, omdat de bloemen geen nectar produceren. Bij deze laatste drie soorten, die allemaal behoren tot de nachtschadefamilie Solanaceae , zijn de helmhokjes buisvormig met een opening aan één kant.

De gladde stuifmeelkorrels zitten stevig vast in de helmhokjes. Hommels zijn goede bestuivers van deze planten, omdat ze met de bovenkaken mandibels en klauwtjes aan de poten de bloem kunnen vastpakken en door de borstspieren snel te bewegen de meeldraden laten trillen om zo de stuifmeelkorrels uit de helmhokjes te laten vallen. Dit wordt in het Engels 'buzz pollination' genoemd, wat vrij vertaald 'zoembestuiving' betekent.

Bij komkommerkruid kunnen alleen hommels op deze manier het stuifmeel uit de helmhokjes krijgen. De vallende korrels plakken aan hun elektrostatisch geladen lijf. Vervolgens kunnen zij met hun poten het stuifmeel verzamelen in hun korfjes. Een hommel neemt ook sneller genoegen met stuifmeel als er geen nectar aanwezig is.

Ook verlaat een hommel niet zo gauw de kasruimte, in tegenstelling tot een bij. Hommels zijn over het algemeen niet zo efficiënt als bijen als het gaat om het bestuiven van bloemen. De volkeren zijn aanmerkelijk kleiner en hommels eten ook stuifmeel van onrijpe bloemen waardoor deze niet goed bestoven worden. Wanneer de nectar te diep in een bloem verborgen is bijt de hommel een gaatje in de zijkant van de bloemkroon om zo bij de nectar te kunnen komen. Het openknippen van bloemen heeft een negatieve impact op de bloem, omdat de hommel de bloem beschadigt of soms zelfs vernietigt.

Bovendien komt de hommel met zijn lichaam niet altijd langs de meeldraden, zodat de bloem niet goed wordt bestoven. De plantensoorten waarbij dit voorkomt zijn smeerwortel , rode klaver , grote ratelaar , holwortel , hengel en dopheide. Ook van de houtbijen uit het geslacht Xylocopa is bekend dat ze bloemen openknippen als ze niet op de gebruikelijke manier bij de nectar kunnen komen.

De mannetjes verschillen van de vrouwtjeshommels in verschillende opzichten: Ook hebben mannetjes geen angel en bezitten geen stuifmeelkorfjes. De ogen van de mannetjes zijn groter en ronder en de randen raken elkaar nooit aan de bovenzijde van de kop. Na het verlaten van het nest vertonen de mannetjes van veel hommelsoorten een karakteristiek gedrag. Ze vliegen steeds dezelfde route met een straal van ongeveer tot meter waarbij ze op een meerdere plaatsen een geurstof afzetten die de jonge koninginnen lokt.

Afhankelijk van de soort verschillen deze geurstoffen van samenstelling en worden op verschillende hoogten afgezet. De geurstoffen worden geproduceerd door klieren in de kop. De mannetjes vliegen voortdurend deze gemarkeerde plaatsen langs om te controleren of er al een koningin is aangelokt.

Hierbij kunnen ze enorme afstanden afleggen; 17 tot 60 kilometer per dag. Bij andere hommels blijft een mannetje op een vaste stek en vliegt op alles af wat langs komt, inclusief vrouwelijke hommels. Dergelijke soorten hebben vaak relatief grote ogen. De paring vindt plaats op de bodem en duurt ongeveer 15 tot 30 minuten. Na de paring sterft het mannetje en de bevruchte koningin gaat op zoek naar een overwinteringsplaats. Bij sommige hommelsoorten is dit al in juli, bij andere pas in oktober.

Slechts enkele hommelsoorten gebruiken meerdere keren hetzelfde nest. Een mogelijke oorzaak is het brede scala aan nestparasieten of nestbezoekende vijanden van hommels. In de loop van het seizoen raakt het nest meer bevolkt met nestparasieten en meer bekend bij vijanden. Hergebruik van het nest komt voor bij soorten als de boomhommel, en ook bij soorten in warme streken. Soms komt een koningin in het nest terecht van een andere koningin, waarbij ze het nest overneemt en de oorspronkelijke bewoonster wordt doodgestoken.

In het voorjaar gaat de koningin eerst een beetje nectar en later wat stuifmeel verzamelen. Na enkele weken zoekt ze een geschikte plek voor haar kolonie, ook wel staat genoemd. In de nestruimte wordt een bolvormig nest van 3 tot 5 centimeter in doorsnee van in stukjes gebeten plantendeeltjes gemaakt. Voor het nest worden oude muizenholen of gangen van andere knaagdieren gebruikt, maar ook wel onder graspollen en onder stukken mos.

Andere hommels maken bij voorkeur geen nest in de grond, maar op hogere plaatsen, zoals in oude vogelnesten en in holle bomen. Ook worden nestkastjes weleens gebruikt als nest. Van was worden de eerste broedcellen op een soort voorraadpotje gemaakt dat gevuld wordt met stuifmeel.

Een tweede potje van was wordt gevuld met nectar, dat de koningin 's nachts of op dagen met slecht weer als voedsel gebruikt. De was wordt gemaakt door klieren in haar achterlijf en komt aan de onderzijde tussen de segmenten van haar achterlijf naar buiten. In elke broedcel of larvenwieg worden verscheidene bevruchte eieren gelegd.

De koningin bevrucht de eieren met zaad van het mannetje waarmee ze gepaard heeft en dat ze de hele winter in haar lichaam heeft bewaard. De broedcellen worden met was afgesloten. De broedcellen van hommels zijn tonvormig en hebben geen honingraatstructuur zoals bij de bij het geval is. De cellen worden op een ongeordende manier aan elkaar bevestigd zodat het hommelnest een rommelige indruk maakt. Een ander verschil met de bij is dat een broedcel slechts éénmaal wordt gebruikt als nestkamertje, daarna wordt de cel alleen nog gebruikt als voedselcel.

De koningin legt in totaal vijf tot vijftien eieren. Ze broedt de eitjes deels zelf uit. Door met de spieren van de vleugels in het borststuk te trillen wordt warmte opgewekt dat de temperatuur van eieren Door de weinige beharing aan de onderkant van het achterlijf kan de lichaamswarmte gemakkelijk op het broed overgedragen worden.

Na vier dagen komen de larven uit de eitjes. Eerst eten zij van het stuifmeel uit het voorraadpotje en van de was in het larvenwiegje. De made-achtige larven worden regelmatig van nieuw voedsel nectar en stuifmeel voorzien. De eerste werksters krijgen minder voedsel dan de latere generaties die gevoed worden door een groeiende groep werksters in het nest. Deze eerste hommels zijn duidelijk kleiner dan de latere generaties van werksters.

De uitwerpselen van de larven worden niet afgescheiden maar bewaard in het achterste deel van het achterlijf. Tijdens de groei vervellen de larven een aantal keren, omdat hun huid niet kan meegroeien.